Oordoppen onvermijdelijk voor musici in het orkest én thuis

Veel musici lopen gehoorschade op door het bespelen van hun instrument. Professionele orkesten hebben daarom de laatste jaren maatregelen genomen gericht op lagere geluidsniveaus. Uit onderzoek blijkt nu dat fysieke maatregelen, zoals het plaatsen van schermen tussen secties, of het creëren van meer ruimte, amper helpen. Dit komt doordat het eigen instrument vaak evenveel bijdraagt aan het geluidsniveau dat de oren bereikt, als alle andere instrumenten in het orkest samen. Daardoor ervaren musici die thuis alleen spelen – zowel professionele als niet-professionele - ook excessieve geluidsniveaus. De enige oplossing die écht helpt, zijn oordoppen. Remy Wenmaekers promoveert vandaag op dit onderzoek.

De trommelvliezen van trompettisten en fluitisten hebben het het zwaarst te verduren. Die ondergaan tijdens luide passages gemiddelde geluidsniveaus van 95 tot 100 dB(A), afkomstig van het eigen instrument. De viool en de altviool leveren hun bespelers dan geluidsniveaus op van ruim boven de 90 dB(A). Zulke geluidniveaus zijn vergelijkbaar met een rockconcert. Ook is het stukken hoger dan de 85 dB(A)-grens die in Europese regels is vastgelegd voor het verplicht dragen van gehoorbescherming op de werkvloer.

Bij de oren
Akoesticus en onderzoeker Remy Wenmaekers kwam tot deze resultaten met een rekenmodel dat hij ontwikkelde om het geluidsniveau te berekenen dat optreedt bij de oren van musici. Wenmaekers koos voor een rekenmodel in plaats van metingen ter plekke met muziekinstrumenten bespeeld door musici, omdat zij nooit precies hetzelfde geluidsniveau reproduceren. Dat maakt onderling vergelijken van experimenten met 'echte’ musici vrijwel onmogelijk.

Als basis voor zijn model gebruikte hij opnames van orkestmuziek per instrument gemaakt in een dode kamer (een ruimte zonder echo). Het model houdt onder meer rekening met de geluidsrichting van de instrumenten, de gehoorrichting van de ontvangers, geluidsweerkaatsing, en blokkade door mensen (de muzikanten zelf). Hij vergeleek resultaten uit zijn model met metingen in een echt orkest, en die bleken goed overeen te komen.

De resultaten zijn vertaald naar deze video, die voor de individuele musici toont wat het geluidsniveau is dat hun oren bereikt. Hierin is duidelijk te zien dat de niveaus met regelmaat boven de 100 dB(A) komen.

Oordoppen
Met zijn model berekende Wenmaekers het effect van de meest voorkomende geluidsreducerende maatregelen, zoals het plaatsen van schermen en van hogere plateaus voor de verschillende secties in het orkest. Die effecten bleken erg klein, doordat de voornaamste geluidsbron het eigen instrument blijkt te zijn. Door diezelfde oorzaak is het geluidsversterkende effect van te kleine orkestruimtes, zoals overdekte orkestbakken, ook relatief klein (circa 3 dB). Volgens Wenmaekers is het toch raadzaam om kleine orkestruimtes te vermijden, maar daarmee blijven de geluidsniveaus nog steeds te hoog op andere plekken. Het enige dat echt helpt, is zachter spelen, of oordoppen gebruiken. Musici krijgen al enige tijd het advies om te spelen met oordoppen, maar nu is bewezen dat er geen andere, haalbare maatregelen zijn.

Te laat
Wenmaekers, zelf muzikant, begrijpt dat dit een zure boodschap is. “Een musicus met een slecht gehoor riskeert het verlies van zijn baan. Als je dat wil voorkomen, zijn oordoppen onontkoombaar. Tegelijkertijd wil je zo goed mogelijk presteren, en daarbij kunnen oordoppen een belemmering zijn. Muzikanten zullen er daarom van jongs af aan mee moeten leren spelen. Als je eenmaal gehoorproblemen hebt, ben je al te laat.”

De dans ontspringen
Overigens is er één orkestsectie die deels de dans ontspringt, die van de cello en de contrabas. Deze instrumenten produceren een relatief zacht geluid en vormen thuis geen gevaar. De geluidslast op de oren van de cellisten en de contrabasspelers is over het algemeen lager en het geluid komt hoofdzakelijk van de andere secties. Daardoor zijn er voor deze groep wel andere ingrepen effectief dan oordoppen. Deze resultaten worden deze week ook gepubliceerd in het Journal of the Acoustical Society of America. https://doi.org/10.1121/1.5012689

https://doi.org/10.1121/1.5012689Paspoppen
Een ander doel van het onderzoek was het verbeteren van meettechnieken, gebaseerd op luidsprekergeluid en microfoons, om de akoestiek op podia in beeld te brengen. Dit soort objectieve meettechnieken zijn zeer gewenst, vooral omdat beoordeling van de akoestiek nodig is voor het ontwerpen en verbeteren van muziekzalen.

Wenmaekers toonde onder meer aan dat bestaande meettechnieken, met alleen lege stoelen en standaards op het podium, geen juist beeld geven. In vijf concertzalen plaatste hij hiervoor op alle podiumstoelen aangeklede paspoppen, om het effect van personen op de podiumakoestiek in detail te meten. Die invloed bleek zodanig groot dat hij een snelle methodiek ontwikkelde om te meten met het volledige orkest op het podium, waar orkestleden slechts tien minuten aan kwijt zijn.

Meer over dit onderzoek is te lezen op de website van Wenmaekers: https://stageacoustics.wordpress.com/